Jef Last, Zuiderzee en de volksroman

Is deze sociale roman over de inpoldering van de Zuiderzee wel zo gedateerd als wordt beweerd?

In de meeste literatuurgeschiedenissen kom je Zuiderzee (1934) van Jef Last wel tegen, maar vaak alleen in een bijrol, als exponent van de Nieuwe Zakelijkheid. Ter Braak oordeelde dat het in elkaar grijpen van verschillende kunstvormen dat deze stroming van filmische romans kenmerkte een teken was van decadentie. Jef Last en de zijnen zagen er, in het spoor van Ehrenburg en Don Passos, juist een teken in van vitaliteit.1 Het oordeel van latere literatuurgeschiedschrijvers valt duidelijk de kant op van Ter Braak. Zuiderzee dankt zijn vernoeming enkel aan deze polemiek van Ter Braak; andere romans, van Marianne naar Elfstedentocht tot Leeghwater, over de grondwinning ten tijde van de bloeitijd van de Republiek, zijn helemaal vergeten.

Zuiderzee is een sociale, documentaire roman van Jef Last over de drooglegging van de Zuiderzee, verteld aan de hand van de relatie tussen twee Urker vissers, behoorlijk vooruitstrevend voor die tijd. Het is wel streekliteratuur genoemd, zij het een dubbelzinnige variant, eentje die in een modernistische vorm is gestoken. Last stijgt steeds boven het regionale uit en verweeft het met het nationale en zelfs internationale.2 Misschien is het een oer-Hollands soort avonturenroman, waarin onze nationale mythe van de strijd tegen het water centraal staat maar ook wordt bijgedraaid.

Last heeft geen epos geschreven avonturiers die nieuwe, maagdelijke gronden koloniseren, maar over wat de industriële opgang en modernisering van Nederland aan het zicht onttrekt: de gedwongen proletarisering van de Urker vissers, die uit hun traditionele nering worden verdreven. Ergens is deze roman dus, jawel, niets minder dan een deconstructie van een stuk nationale geschiedenis dat een stuk minder heroïsch is dan de nationale fierheid op onze twaalfde provincie on wil doen geloven. Maar is het ook een roman die niet alleen dit narratief ondergraaft maar ook dynamische, eigen wijze vormgeeft aan die moderniteit?

De Italiaanse marxist Antonio Gramsci maakt in zijn Notities uit de gevangenis een typologie van volksromans die de moeite waard is om ‘op te nemen’, ook voor de Nederlandse literatuur. Hij onderscheidt onder meer detectiveromans en griezelromans, avonturenromans met een wetenschappelijke inslag - Jules Verne bijvoorbeeld - maar ook meer historische romans met een democratische teneur, die van politiek-ideologisch uitgesproken kan zijn, verbonden met de ideologieën van 1848, naar conservatief-reactionair tot passief, wat Gramsci de uitdrukking noemt van een ‘gevoelsdemocratie’.3 Voor Gramsci was de volksliteratuur geen zoethoudertje van de bourgeoisie om de arbeidersklasse in toom te houden, maar een noodzakelijke bron voor intellectuele en morele hernieuwing: ‘Het uitgangspunt van de nieuwe literatuur kan niet anders dan politiek-historisch en volks zijn: het moet ernaar streven dat wat al bestaat uit te werken.’ Dat de intellectuele wereld van het volk conventioneel was maakte daarbij niet uit. Het belangrijkste was het besef dat nieuwe literatuur zich niet moest identificeren met een artistieke school van intellectuele origine maar moest wortelen in de voedingsbodem van de volkscultuur.4

Kunnen we Lasts aspiraties naast Gramsci’s beschrijvingen van de volksroman zetten? Bekend is dat hij zijn roeping als schrijver vond bij Multatuli, wiens Woutertje Pieterse de misschien wel een Nederlandse volksroman bij uitstek is, die de arbeider in Nederland een zelfbewustzijn schonk en afrekende met de verburgerlijkte en classicistische literatuur van zijn tijd en de weg plaveide voor de moderne literatuur in het Nederlands. Last, met zijn voorliefde voor het lompenproletariaat, de klasse van werklozen, dagloners en de footloose, voelt zich daarbij duidelijk het meest aangetrokken tot wat hij ziet als het elementaire, meest vitale element van het volk, waartoe hij de vissers en schippers uit Zuiderzee rekent. Die representeren voor hem de band met de ongetemde zee, dat wat nog niet verburgerlijkt of nationaal is geworden als een klasse van keurige arbeiders. Scherp wordt de tegenstelling uitgewerkt met de ingenieurs, met hun fraaie, van staatswege aangelegde villa's met uitzicht op de zee die ze bedwingen, en die de grote industriële projecten van de kapitalisten uitvoeren.

Interessant is evenwel dat Last hen niet opvoert als louter petites mains die de wil van de hoge heren opleggen aan de natuur. Een van hen kun je een ware ingenieur van de ziel noemen, een dissidente intellectueel die zijn arbeid weigert te verkopen en haar opvat als een collectief, bevrijdend avontuur. Modernisering en industrialisering zonder horizon van lotsverbetering wijst deze Warmond af, die daarmee in conflict komt met zijn superieuren. Ook visser Theun komt door zijn homoseksuele gevoelens in conflict, zowel met de kerk als met communist De Rook die de ‘gedegenereerde cultuur’ van Urk afwijst.

Zo werkt Last de morele en psychologische conflicten van diverse personages uit. De dominantie van religie is een belangrijke reden voor de moeilijkheid om de vissers, pachters en verarmde boeren gezamenlijk te organiseren, tegen hun uitbuiters, al vallen Theun en Auke van hun geloof en spoelen ze uiteindelijk aan wal aan. Het begin van hun verburgerlijking?

Tal van andere personages worden parallel beschreven en lijken soms de rol te spelen om het sociale milieu van de jaren dertig te schetsen. Deze 'slordigheid' is typisch voor de flitsende reportagestijl waarvoor Last en de zijnen van de Nieuwe Zakelijkheid zo zijn gekastijd door hun literaire bentgenoten Marsman en Ter Braak. Het boek is grondig gedocumenteerd: je zult er cijfers in aantreffen over de Zuiderzeewerken en technische verhandelingen over de aanleg van dijken, waar je door het gebrek aan toelichting als buitenstaander nauwelijks wijs uit wordt. Dit overladen met informatie doet vooral een ervaring van gelijktijdigheid rijzen, de onmogelijkheid om de wereld vanuit één, onversplinterd standpunt te overzien. Het is een onversneden modernistisch procedé waarmee Last zich hier identificeert.

Of is Zuiderzee een uitloper van een naturalistische traditie, de uitbreiding van de realistische stijl naar onbehouwen en ongeletterde lagen, die zich niet weten te bevrijden uit hun milieu? Organisatie en gezamenlijke arbeid lopen in deze roman op niets uit, de natuurkrachten blijken ontembaar: zie daar de portee van het boek, waarvan de onheroïsche, ontmythologiserende beschrijvingen overgaan in die andere mythe, van een verwoestende zee die uiteindelijk alle lagen, onbehouwen of verfijnd, schoonveegt.

En toch, anders dan conventionele streekromans maar ook de intellectuele producten van de jaren dertig geeft dit boek in zijn beste momenten op dynamische, materialistische wijze verslag van de geschiedenis die volop in beweging is en door mensenhanden wordt gemaakt. De tweedeling tussen natie en volk opheffen, dat is wat Last met dit boek nastreefde en daarin was hij beslist niet een eenling: hij verwoordt ermee een democratisch sentiment, eerder passief dan uitgesproken, dat in zijn tijd meer harten begeesterde en onverminderd in een communistische richting wijst, al zou Last de partij gauw verlaten.

'De revolutie is voortgevloeid uit het nationale “element”, maar dat betekent volstrekt niet dat in de revolutie alleen dat elementaire vitaal of nationaal is, zoals de dichters menen die zich bij de revolutie hebben aangesloten', schreef Trotski in Literatuur en revolutie.5 Last laat het nationale element in deze roman uiteindelijk opgaan in een analyse van de werkelijke verhoudingen', die hij terugvoert op de oorlog en de kapitalistische wereldcrisis. Opnieuw een van de draden uit de jaren dertig die ongebruikt is blijven liggen. De vraag is echter of we die zomaar kunnen oppakken, nu wat erover is van het volk restloos is geïntegreerd in een gewapend nationaal bewustzijn.

Of toch niet? Moeten we verbaasd zijn dat Urkers diep wantrouwend zijn ten aanzien van de landelijke overheid, wanneer zij een teststraat van de GGD platbranden? Wie de vele draden kent waaruit het hedendaagse Nederland geweven werd allicht niet. Last mag op zoek zijn geweest naar rauwe, authentieke ervaringen, hij nam zijn vissers serieus en sprak tot hen van mens tot mens.

1

Jacqueline Bel, Bloed en rozen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900-1945, Amsterdam: Prometheus, p. 708.

2

Sintobin, T. M. J., & Kusters, W. (2005). `Als een steen in oprimpelend water.' Regionaliteit en Jef Lasts Zuiderzee (1934). Spiegel der Letteren47 (2), 99-146. 

3

Antonio Gramsci, Alle mensen zijn intellectuelen, Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, p. 251.

4

Ibid., p. 211.

5

Leon Trotski, Literatuur en revolutie, De Arbeiderspers 1982, p. 88.